English / Engels
Kleine Soenda-eilanden

Op de Kleine Soenda-eilanden – Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores en Timor – is tijdens de Japanse opmars vrijwel geen strijd geleverd, met uitzondering van Timor. De krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden van de Kleine Soenda-eilanden zijn daar niet gebleven, maar werden uiteindelijk allemaal naar elders - Celebes of Java - vervoerd.

Timor

Op 20 en 21 februari 1942 landden ongeveer 4.700 Japanners op Timor, het grootste van de Kleine Soenda-eilanden, dat door voornamelijk Australische en KNIL-troepen werd verdedigd. Het oostelijk deel van het eiland was eigenlijk een Portugese kolonie, maar met instemming van het Portugese gouvernement bevond zich daar een Nederlands-Australisch expeditielegertje.

In Dili, de hoofdplaats van Oost-Timor, en in Koepang, de hoofdplaats van het Nederlandse westelijke deel van het eiland, werd echter maar kort tegenstand geboden. Een deel van de verdedigers gaf zich over, het restant ging over op het voeren van een guerrilla in het binnenland. De Japanners zagen zich hierdoor genoodzaakt extra troepen naar Timor te sturen. De Nederlandse guerrillagroepen bleven actief tot half december 1942, de Australiërs tot februari 1943. De overlevenden werden toen in verschillende groepen naar Australië geëvacueerd.

Een militair kampement bij het ongeveer 10 km oostelijk van Koepang gelegen vliegveld Penfoei werd door de Japanners als verzamelkamp voor krijgsgevangenen gebruikt. Medio april 1942 waren hier ongeveer 1.050 Australiërs, circa 150 KNIL-militairen en 26 Britten ondergebracht, die werden tewerkgesteld bij het vliegveld en aan andere militaire werken in de omgeving van Koepang. Zij werden in augustus en september 1942 naar Soerabaja overgebracht.

In Dili werden na 20 februari 1942 enkele krijgsgevangenen en Nederlandse burgermannen uit Oost-Timor en van de Alor-eilanden opgesloten in de plaatselijke gevangenis. Een klein aantal Nederlandse vrouwen en kinderen werd in woonhuizen geïnterneerd. De krijgsgevangenen werden in april overgebracht naar Koepang-Penfoei, de burgers gingen in mei naar het verzamelkamp te Soë.

Bij Soë, gelegen in het binnenland van het westelijk deel van Timor, was in december 1941 door het Nederlandse gezag een evacuatiekamp ingericht voor vrouwen en kinderen uit o.a. Koepang en andere delen van Nederlands-Timor. Na de komst van de Japanners op 24 februari 1942 werden hier burgergeïnterneerden van heel West-Timor verzameld, en ook een aantal van het Portugese deel van het eiland. Op 30 augustus 1943 werd het kamp ontruimd; de ruim 100 geïnterneerden vertrokken via Koepang naar Makassar op Celebes. In het eveneens in het binnenland gelegen Atamboea waren tot eind augustus 1943 enkele tientallen paters, broeders en nonnen geïnterneerd; ook zij werden naar Makassar overgebracht.

Bali en Lombok

De weinige krijgsgevangenen die in februari 1942 op Bali en in mei 1942 op Lombok waren gemaakt werden in juni 1942 naar Makassar op Celebes overgebracht.

De meeste Europese burgers van Bali en Lombok waren in januari 1942 door de Nederlands-Indische autoriteiten naar Java geëvacueerd. Het grootste deel van de enkele tientallen op Bali achtergebleven burgers werd in mei en (waarschijnlijk) juli 1942 naar Makassar getransporteerd. Een klein groepje geestelijken en kunstenaars werd pas eind 1943 geïnterneerd en naar Celebes vervoerd.

De op Lombok achtergebleven burgers, aangevuld met een tiental mannen van Soembawa, werden op 15 juli 1942 naar Soerabaja overgebracht. Op Bali en Lombok zijn in totaal circa 80 Europeanen geïnterneerd en van deze eilanden weggevoerd.

Soembawa, Soemba en Flores

Medio mei 1942 landden de Japanners op Soembawa, Soemba en Flores. Van westelijk Soembawa waren begin mei 1942 enkele Europeanen naar Lombok gevlucht, waar zij later door de Japanners bij de daar reeds aanwezige geïnterneerden werden gevoegd. De overige Europeanen op Soembawa, Soemba en Flores werden in juli 1942 met één schip overgebracht naar Makassar op Celebes. Het schip vertrok op 5 juli van Soembawa, op 14 juli van Soemba en op 15 juli van Endeh op Flores. Deze in totaal circa 325 personen tellende groep, waaronder ongeveer 20 krijgsgevangenen, arriveerde op 19 juli in Makassar.

Werkkampen op Flores

In april-mei 1943 werden ruim 2.000 Nederlandse en Nederlands-Indische krijgsgevangenen in drie schepen van Java naar Flores gebracht om daar vliegvelden aan te leggen. Op 9 mei kwam deze groep aan op de rede van Maoemere, aan de noordoostkant van het eiland.

Door de krijgsgevangenen moesten in de buurt van Maoemere eerst drie onderkomens gebouwd worden: twee werkkampen (het Blom-kamp en het Reyers-kamp) en een ziekenkamp c.q. quarantainekamp (het Wulff-kamp). Het oostelijk van Maoemere gelegen Blom-kamp, genoemd naar reserve-kapitein L. Blom, fungeerde als het centrale kamp van waaruit de enigszins inzetbare krijgsgevangenen moesten werken aan het nabijgelegen vliegveld Maoemere-Oost. In juni, juli en augustus 1943 werden bovendien ruim 300 krijgsgevangenen gedetacheerd in een werkkamp bij Taliboera, ongeveer 60 km oostelijk van Maoemere, waar ze ingezet werden bij de aanleg van een hulpvliegveld.

Begin november 1943 was het vliegveld Maoemere-Oost voor gebruik gereed; nadien werd het afgewerkt en moest ook nog in de haven en aan twee andere kleine vliegvelden bij Maoemere worden gewerkt. In januari, mei, en juni 1944 werden grote groepen krijgsgevangenen teruggezonden naar Java. Geallieerde vliegtuigen werden steeds actiever boven het gebied en begin augustus vielen zelfs enkele bommen in het Blom-kamp. Op 10 augustus werd dit kamp vanwege het luchtgevaar dan ook opgeheven.

De resterende circa 450 krijgsgevangenen verbleven toen nog enkele weken in een schuilkamp, dat ongeveer 6 km landinwaarts van Maoemere-Oost was gelegen. Eind augustus 1944 werden ook zij naar Java overgebracht, op 20 man na voor wie op het schip geen plaats meer bleek te zijn: zij vertrokken pas op 12 september van Flores. In totaal zijn 214 krijgsgevangenen van de Flores-groep om het leven gekomen.