English / Engels
Sumatra

De Japanse verovering van Sumatra gebeurde in twee fasen: medio februari 1942 werd Zuid-Sumatra ingenomen, in maart volgden Noord- en Midden-Sumatra.

De krijgsgevangenen op Sumatra werden merendeels geconcentreerd in kampen bij Medan en Palembang. Velen van hen werden overzee gestuurd, maar ook werden in 1943 en 1944 duizenden krijgsgevangen van Java naar Sumatra gebracht om daar tewerkgesteld te worden. In augustus 1945 waren er krijgsgevangenenkampen aan de Pakanbaroe-spoorweg en in en bij Palembang.

De burgergeïnterneerden van Noord-, Midden- en Zuid-Sumatra bleven gedurende de gehele bezetting in hun eigen regio’s. In elke regio waren zij in 1945 samengebracht in grote verzamelkampen in het binnenland. Er waren afzonderlijke kampen voor mannen en voor vrouwen en kinderen, maar ze lagen wel in elkaars nabijheid.

Strijd om Sumatra

De olie-installaties bij Palembang in Zuid-Sumatra waren een belangrijk doelwit voor de Japanners. Op 14 februari 1942 landden zo'n 600 Japanse parachutisten bij één van de twee vliegvelden van Palembang en in en om de twee raffinaderijcomplexen van de stad. Een Javaanse KNIL-compagnie verdreef de Japanners van de ene raffinaderij, maar de andere installatie werd slechts gedeeltelijk heroverd. Toen duidelijk werd dat een groot aantal Japanse infanteristen via de Moesi-rivier in aantocht was, kreeg de plaatselijke KNIL-commandant opdracht zijn troepen terug te trekken en de olieinstallaties te vernielen. De vernielingen slaagden slechts gedeeltelijk. De meeste KNIL-, Britse en Australische troepen in Zuid-Sumatra ontsnapten naar Java, met een deel van de Europese vrouwen en kinderen.

Terwijl de Japanse troepen vanuit Zuid-Sumatra gestaag naar het noordwesten oprukten, landden troepen van het Japanse 25ste Leger op 11 en 12 maart 1942 op vier plaatsen op de oostkust van Noord- en Midden-Sumatra: bij Sabang, bij Koetaradje, bij Idi en circa 100 km ten zuidoosten van Medan. Het 25ste Leger kreeg veel steun van inheemse zijde, vooral in Atjeh, waar reeds voor de komst van de Japanners anti-Nederlandse sabotageacties werden ondernomen. De KNIL-detachementen ontruimden de kustgebieden en trokken zich in groepen terug in de richting van het binnenland van Noord-Sumatra, met de bedoeling om in de bergen tot een guerrilla over te gaan. Van dit voornemen kwam weinig tot niets terecht. Gedecimeerd door desertie, geteisterd door opstandige Atjehers of ingehaald door de oprukkende Japanners, slaagden de meeste eenheden er niet eens in de bergen te bereiken. Op 28 maart capituleerden de overgebleven KNIL-troepen van Noord- en Midden-Sumatra in Blangkedjeren.

Krijgsgevangenen

In Zuid-Sumatra raakten ongeveer 1.500 Britse en Australische militairen, alsmede een kleiner aantal manschappen van het KNIL en de Koninklijke Marine, in krijgsgevangenschap. De meeste inheemse KNIL-militairen werden vrij snel vrijgelaten. De resterende gevangenen werden deels naar Singapore afgevoerd, deels geconcentreerd en tewerkgesteld in en bij Palembang, o.a. op een vliegveld, in de haven en bij de aanleg van schuilkelders. Vanaf juni 1944 verbleven deze krijgsgevangenen in het nieuwe Soengeigeroeng-kamp aan de oostzijde van Palembang.

Eind 1943 arriveerden in Palembang ook nog ongeveer 2.000 krijgsgevangenen van Java, voor tewerkstelling bij de aanleg van twee afgelegen vliegvelden in de omgeving van Palembang. Medio 1945 werd een deel van hen verplaatst naar Singapore, de overigen kwamen terecht in het Soengeigeroeng-kamp of in een kamp bij het vliegveld Talangbetoetoe, ongeveer 15 kilometer ten noorden van Palembang. In augustus 1945 bevonden zich in Palembang en omgeving vermoedelijk zo'n 1.000 à 1.500 krijgsgevangenen.

In Atjeh kwamen in totaal ongeveer 3.500 Nederlandse en inheemse KNIL-militairen in krijgsgevangenschap. Ook hier werden de meeste inheemsen kort nadien vrijgelaten, maar een aantal bleef geïnterneerd in kamp Lawe Sigalagala bij Koetatjane, samen met circa 110 Indo-Europese krijgsgevangenen. De overige krijgsgevangenen werden in april en mei 1942 buiten Atjeh geconcentreerd, in eerste instantie in de Uniekampong in Belawan bij Medan. De in Lawe Sigalagala achtergebleven gevangenen werden in mei 1942 onder druk gezet om heiho, hulpsoldaat in Japanse dienst, te worden. De meeste inheemse ex-KNIL-militairen stemden uiteindelijk toe, maar van de Indo-Europese gevangenen weigerden er 52. De vier leiders van deze groep werden geëxecuteerd, de meeste anderen zijn in de gevangenis van Koealasimpang van de honger overleden.

Het overgrote deel van de in Noord- en Midden-Sumatra in Japanse handen gevallen krijgsgevangenen werd in de Uniekampong op het haventerrein van Belawan geconcentreerd. Al in mei 1942 werd een grote groep van circa 2.000 krijgsgevangenen op transport gesteld naar Birma, terwijl de ongeveer 1.200 achterblijvers in juni 1942 een kamp betrokken in Gloegoer bij Medan.

Atjeh Party en Pakanbaroe-spoorweg

In maart 1944 werd in kamp Gloegoer een zogenoemde Atjeh Party samengesteld van ruim 300 Nederlandse en bijna 200 Britse en Australische krijgsgevangenen. Deze groep moest, samen met duizenden inheemse arbeiders, in het binnenland van Atjeh een bijna 60 kilometer lange weg tussen de plaatsen Blangkedjeren en Takengon aanleggen. Er waren daar elf opeenvolgende werkkampen voor deze krijgsgevangenen, genoemd naar de afstand in kilometers tot Blangkedjeren. Na voltooiing van de weg ging de Atjeh Party in oktober 1944 terug naar kamp Soengeisengkol bij Medan. Na enkele weken rust werden ze naar de zogenoemde Pakanbaroe-spoorweg in Midden-Sumatra getransporteerd, waar ze opnieuw aan het werk werden gezet.

Intussen waren de circa 700 in Gloegoer achtergebleven krijgsgevangenen in juni 1944 aan boord gegaan van de Harukiku Maru, voordien de Van Waerwijck van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM). Dat zou hen naar Padang brengen voor tewerkstelling aan de Pakanbaroe-spoorweg. Het schip werd onderweg door een Britse onderzeeboot getorpedeerd, waarbij bijna 180 doden vielen.

Aan de Pakanbaroe-spoorweg, een tracé van ongeveer 220 kilometer lengte tussen Pakanbaroe en Moeara, werden vanaf maart 1943 tot aan de voltooiing op de dag van de Japanse capitulatie vele tienduizenden inheemse arbeiders (zogeheten romusha’s) en ruim 5.000 krijgsgevangenen tewerkgesteld. In mei, juni en juli 1944 arriveerden in vier groepen duizenden krijgsgevangenen vanuit Java.

De vijfde groep van circa 4.200 romusha's en 2.300 krijgsgevangenen ging medio september 1944 in Batavia aan boord van de Junyo Maru. Onderweg naar Padang werd het schip door een Britse onderzeeboot getorpedeerd, waarbij circa 5.600 opvarenden, waaronder ongeveer 1.600 krijgsgevangenen, om het leven kwamen. De overlevende romusha's en krijgsgevangenen werden alsnog naar Pakanbaroe getransporteerd. Ook vanuit Belawan en Singapore werden in de loop van 1944 krijgsgevangenen aangevoerd, o.a. de groep aan boord van de Van Waerwijck en de overlevenden van de Atjeh Party.

Langs het traject van de Pakanbaroe-spoorweg waren de werkploegen verdeeld over veertien genummerde kampen, met Pakanbaroe 1 in de plaats zelf als basiskamp en Pakanbaroe 2, enkele kilometers verder naar het zuiden, als ziekenkamp. In totaal overleden bij de aanleg van de spoorweg bijna 700 krijgsgevangenen en waarschijnlijk vele tienduizenden inheemse arbeiders.

Burgerkampen in Zuid- en Midden-Sumatra

De geallieerde burgers van Zuid-Sumatra werden in de eerste week van april 1942 geïnterneerd, met uitzondering van zogeheten Nipponwerkers die voor de Japanners van belang waren (vooral artsen, planters en medewerkers van oliemaatschappijen). In de hoofdplaats van iedere residentie van Zuid-Sumatra ontstonden afzonderlijke interneringskampen voor mannen en vrouwen, namelijk in Palembang, in Djambi, in Benkoelen, in Pangkalpinang op het eiland Bangka, en in de 'dubbelstad' Teloekbetoeng/Tandjoengkarang. Europeanen uit de kleinere plaatsen werden door de Japanners naar de hoofdplaatsen overgebracht.

In Palembang werden de geïnterneerde mannen aanvankelijk in de gevangenis opgesloten, de vrouwen en kinderen in een wijkkamp aan de Prinses Irenelaan en de Prins Bernhardlaan. De mannen werden in januari 1943 overgeplaatst naar een barakkenkamp op Poentjak Sekoening, de onderkomens waarvan zij eerst zelf hadden moeten bouwen. In september 1943 werden de mannen naar Muntok op het eiland Bangka getransporteerd, waarop hun plaats in het barakkenkamp werd overgenomen door de veel talrijkere vrouwen en kinderen uit het wijkkamp. Op de ten oosten van Palembang gelegen olieraffinaderij Pladjoe bleven van april 1942 tot begin 1943 circa 150 Europese employés van oliemaatschappijen in functie. Nadien werden zij in het mannenkamp Poentjak Sekoening geplaatst.

De vrouwen en kinderen van de residentie Benkoelen werden aanvankelijk geïnterneerd in een fort in de gelijknamige hoofdplaats, maar verbleven van september 1943 tot begin oktober 1944 in een oude loods in het circa 40 kilometer landinwaarts gelegen plaatsje Kepahiang. De bewoners van het vrouwenkamp in Djambi werden in april 1944 naar Palembang overgebracht. De meeste Indo-Europeanen onder de geïnterneerden in Teloekbetoeng en Tandjoengkarang werden in juli 1942 vrijgelaten, maar kwamen later deels in het nabijgelegen gezinslandbouwkamp Giesting terecht. In mei 1944 werden de vrouwen en kinderen van Teloekbetoeng naar Palembang vervoerd.

In Midden-Sumatra - de residenties Sumatra's Westkust en Riouw en onderhorigheden - werden de vijandelijke Europese burgers, na de eerste internering in de eigen woonplaats of omgeving, in de loop van 1942 geconcentreerd in kampen in Padang. De mannen werden daar uiteindelijk in de 'nieuwe' gevangenis of 'de Boei' aan Moeara Goeroen verzameld, de vrouwen en kinderen werden samengebracht in het Missiecomplex van Padang.

Burgerkampen in Noord-Sumatra

In Medan, hoofdplaats van de residentie Oostkust van Sumatra, kregen de Europese burgers al bij aanvang van de bezetting huisarrest; zij mochten zelfs van de straat af niet meer zichtbaar zijn, zodat in veel voortuinen schuttingen verschenen. Medio april 1942 volgde de internering in kampen. Mannen en oudere jongens uit Medan en omgeving werden afgevoerd naar de Uniekampong in Belawan. In juli 1943 werden zij overgeplaatst naar Belawan Estate, circa 14 kilometer ten zuidwesten van de hoofdplaats. Vrouwen en kinderen werden geïnterneerd in de enkele kilometers buiten Medan gelegen kampen Gloegoer en Poelaubrajan.

Circa 300 Nipponwerkers werden in Medan in het complex van de St. Jozefschool geplaatst. Hun vrouwen en kinderen kregen eerst het Serdangkwartier, en vanaf oktober 1942 de circa 15 kilometer ten zuidoosten van Medan gelegen onderneming Tandjoengmorawa als verblijfplaats aangewezen. Tevens was van november 1942 tot maart 1943 een klein gezinskamp voor Nipponwerkers ingericht in Kampong Baroe, circa 8 kilometer ten zuiden van Medan. In april 1943 raakten de meeste mannen in de St. Jozefschool hun baan kwijt en werden zij geïnterneerd in Soengeisengkol, een 17 kilometer ten zuidwesten van Medan gelegen voormalig koeliehospitaal, dat nu diende als verzamelkamp voor mannen en jongens uit Medan (voornamelijk van de St. Jozefschool), Brastagi, Pematangsiantar en Bindjei. De vrouwen en kinderen van de ontslagen Nipponwerkers werden naar Poelaubrajan overgebracht.

Andere burgerinterneringskampen in de residentie Oostkust van Sumatra waren gevestigd in Bindjei, Brastagi, Pematangsiantar, Tebingtinggi en Tandjoengbalei, overal voor mannen en vrouwen afzonderlijk. De in deze kampen geïnterneerde mannen en jongens werden in de eerste helft van 1943 overgebracht naar Belawan Uniekampong of Soengeisengkol. De vrouwen van Pematangsiantar gingen in december 1942 naar Brastagi, de vrouwen van Bindjei en Tebingtinggi in respectievelijk mei en november 1943 naar Poelaubrajan. In de gebouwen van de Planters School Vereniging in Brastagi en op het sportterrein Batoe Satoe in Tandjoengbalei bleven nog tot in 1945 vrouwenkampen bestaan. Vanaf januari 1943 tot oktober 1944 waren in de gevangenis van Bindjei circa 100 Britse en Amerikaanse mannen uit de gehele residentie geïnterneerd.

De burgergeïnterneerden in de residentie Tapanoeli zijn in de loop van 1942 naar de kampen in de residentie Oostkust van Sumatra overgebracht.

In Atjeh was een deel van de plaatselijke Europese burgerbevolking en van de gezinnen van inheemse militairen vanwege de onveilige situatie reeds voor de komst van de Japanners naar Medan geëvacueerd. De achtergebleven geïnterneerde Europese burgers werden medio 1942 in Kotaradja samengebracht – de mannen in kamp Koetah Alam, de vrouwen en kinderen in kamp Keudah – en vervolgens in augustus en september 1942 overgebracht naar het in het binnenland gelegen kamp Lawesigalagala bij Koetatajane. Nadien volgde in oktober 1944 verder transport naar kamp Belawan Estate bij Medan.

Concentratie van geïnterneerden

Vanaf eind 1943 werden alle burgergeïnterneerden van Zuid-, Midden- en Noord-Sumatra bijeengebracht in enkele nieuwe interneringslocaties in het binnenland. De 'oude' interneringskampen werden allemaal ontruimd.

Het eerst waren de in Padang geïnterneerde mannen en jongens aan de beurt. In oktober 1943 werden zij overgebracht naar een kamp bij Bangkinang, ongeveer 70 kilometer ten westen van Pakanbaroe, waar zij werden gehuisvest in een verlaten rubberfabriek. In december 1943 werden ook de vrouwen en kinderen van Padang naar Bangkinang overgebracht, waar zij in een kamp circa 3 kilometer ten westen van het mannenkamp werden ondergebracht. Nadien zijn nog wat kleinere groepen naar Bangkinang overgebracht, o.a. uit Pakanbaroe en uit de Kempeitai-gevangenis te Padang. Eind 1944 verbleven in beide kampen samen bijna 3.200 geïnterneerden.

In Zuid-Sumatra werden de geïnterneerde mannen, vrouwen en kinderen eind 1943 en in de loop van 1944 overgebracht naar twee grote verzamelkampen in en bij Muntok op het eiland Bangka. De mannen werden geïnterneerd in de gevangenis, de vrouwen en kinderen in een barakkenkamp buiten de stad. Vooral de mannen hebben het op Bangka zwaar gehad: in de gevangenis kwam tussen september 1943 en maart 1945 bijna een derde van alle geïnterneerden om het leven. In maart en april 1945 werden de Muntok-kampen ontruimd naar de afgelegen rubberonderneming Belalau bij Loeboeklinggau. Tijdens de reis kwamen bijna 30 geïnterneerden om het leven. In Belalau werden de vrouwen en kinderen ondergebracht op het emplacement van de rubberonderneming aan de Soengei Tjoeroep. Het mannenkamp lag ruim 2 kilometer verder naar het oosten. In augustus 1945 verbleven in de Belalau-kampen meer dan 1.100 geïnterneerden.

Het grootste deel van de geïnterneerde burgermannen en -jongens van Noord-Sumatra – zo'n 2.000 personen – werd vanaf oktober 1944 samengebracht in het kamp Si Rengorengo, gelegen op ongeveer 8 kilometer ten westen van Rantauprapat. De ongeveer 5.000 in Noord-Sumatra geïnterneerde vrouwen en kinderen werden in april, mei en juni 1945 geconcentreerd in drie kampen bij de circa 30 kilometer ten noorden van Rantauprapat gelegen rubberonderneming Aek Pamienke. Ongeveer 160 Nederlandse 'prominenten', Britten en Amerikanen werden in een afzonderlijk mannenkamp bij Padanghalaban geplaatst, ongeveer 12 kilometer ten zuidoosten van Aek Pamienke.

Bevrijding en evacuatie

Op 24 augustus 1945 maakten de Japanners in de kampen Aek Pamienke en Si Rengorengo bekend dat de oorlog was afgelopen. De geïnterneerden moesten voorlopig in de kampen blijven, maar de mannen mochten wel geregeld de vrouwen in Aek Pamienke bezoeken. Op 31 augustus verschenen voor het eerst geallieerde vliegtuigen die pakketten met voedsel en kleding uitwierpen. Begin september arriveerde een kleine geallieerde verkenningsgroep onder leiding van de Nederlandse luitenant C. Sisselaar in de kampen. Deze groep was al op 28 juli gedropt en had zich vervolgens in het oerwoud schuil gehouden.

Begin oktober 1945 startte de evacuatie van de ex-geïnterneerden vanuit de kampen bij Rantauprapat naar Medan. Met nachtelijke treintransporten werden telkens groepen van enkele honderden personen naar de stad vervoerd; kleinere aantallen werden met vrachtwagens in konvooi overgebracht. Vanwege de dreiging van pemoeda-groepen kregen de konvooien bescherming van Japanse militairen langs de route. In Medan vond de eerste opvang van de ex-geïnterneerden plaats in Sociëteit De Witte, daarna werden ze ondergebracht in huizen in de 'Europese' wijk Polonia. Begin november was de evacuatie voltooid.

In de Bangkinang-kampen werd de Japanse capitulatie op 22 augustus 1945 bekendgemaakt. De volgende dag mochten de mannen hun vrouwen en kinderen bezoeken. Grote hoeveelheden voedsel, medicijnen en andere goederen kwamen de kampen binnen. Begin september werden in vier transporten ongeveer 1.300 mannen, vrouwen en kinderen, waaronder circa 100 zieken, per vrachtauto naar Padang overgebracht. Op 10 september werd een zevenkoppig geallieerd verkenningsteam boven Bangkinang gedropt. Met de evacuatie van de overige ex-geïnterneerden werd op 27 september 1945 een begin gemaakt. Zij werden naar Medan, Palembang, Padang of Singapore overgebracht. De transporten naar Medan, Palembang en Singapore verliepen per vliegtuig vanaf het vliegveld van Pakanbaroe. Men werd dan eerst met vrachtauto's naar Pakanbaroe gebracht. Het vervoer naar Padang ging met vrachtwagens. Op 11 november 1945 was de evacuatie voltooid.

De ruim 4.300 overlevende krijgsgevangenen aan de Pakanbaroe-spoorweg kregen op 24 of 25 augustus 1945 te horen dat Japan had gecapituleerd. Op 4 september werd het eerste duurzame contact gelegd met een geallieerde verkenningsgroep onder leiding van de Zuid-Afrikaanse majoor G.F. Jacobs. Met de evacuatie van de krijgsgevangenen werd medio september een begin gemaakt. Eerst werden de zieke en gewonde krijgsgevangenen per vliegtuig naar Singapore gebracht. De overige Britten, Australiërs en Amerikanen volgden in de weken nadien. De afvoer van de Nederlanders, onder meer naar Padang en Palembang, duurde veel langer. Pas op 25 november vertrokken de laatsten van hen uit kamp 2 bij Pakanbaroe.

In de Belalau-kampen werd de Japanse capitulatie bekendgemaakt op 24 augustus 1945. Een klein geallieerd verkenningsteam verscheen hier op 7 september. In de dagen daarop werden de ernstig zieken per vliegtuig overgebracht naar Singapore. De overige geïnterneerden vertrokken deels op eigen gelegenheid, deels met evacuatietransporten per trein naar Palembang. Op 8 oktober 1945 was de ontruiming voltooid. Veel voormalige geïnterneerden werden in Palembang gehuisvest in de 'Europese' wijk Talang Semoet.

Bersiap

De Britse militaire aanwezigheid op Sumatra bleef beperkt tot de steden Medan, Padang en Palembang. Er werden op Sumatra voor zover bekend geen Nederlanders vastgehouden in Republikeinse kampen: alle voormalige krijgsgevangenen en geïnterneerden werden reeds beschermd door geallieerde militairen toen de Bersiap uitbrak. Het is niet duidelijk of er zich nog veel Indische Nederlanders buiten de door de Britten beheerste key areas bevonden. Wel werden na de Japanse capitulatie honderden Ambonese vrouwen en kinderen vastgehouden in het voormalige interneringskamp Lawesigalagala. Zij werden in november 1946 naar Medan geëvacueerd. Bovendien werden honderden leden van de oude Atjehse bestuursadel (de ulebalang) in kampen in centraal Atjeh geïnterneerd.

Daar de eerste Brits-Indische troepen pas op 11 oktober 1945 in Belawan landden, werd het Polonia-kamp in Medan aanvankelijk bewaakt door Japanse soldaten. Grote delen van de stad bevonden zich in Republikeinse handen. Buiten Medan was het zeer onveilig, maar ook binnen de stad vonden regelmatig moorden, ontvoeringen en schietpartijen plaats. Hevige strijd werd niet geleverd, men had voornamelijk te maken met kleinschalige schermutselingen. In de eerste weken van 1946 wisten de Britten de toestand enigszins tot rust te brengen. Duizenden Nederlanders vertrokken in de eerste helft van 1946 naar Nederland. In november 1946 namen Nederlandse troepen het commando over van de Britten. Veel planters zouden na de eerste 'politionele actie' (juli-augustus 1947), toen de ondernemingen deels waren heroverd, weer naar hun oude werkplekken terugkeren.

Net als elders op Sumatra vonden ook in Padang tijdens de Bersiap geen grootschalige conflicten plaats, maar het was er door activiteit van sluipschutters, beschietingen van posten, het werpen van handgranaten, en brandstichtingen wel zeer onrustig. Op 10 oktober 1945 landde een bataljon Brits-Indische troepen in de stad. De geallieerde organisatie RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) ving aanvankelijk ongeveer 5.500 personen in Padang op. Omdat de drie los van elkaar gelegen beschermde wijken moeilijk te verdedigen waren, werden duizenden van hen eind 1945 en begin 1946 naar Medan en Batavia geëvacueerd. Het aantal beschermden liep zo terug tot circa 1.200. Als gevolg van de toenemende onrust in maart en april 1946 ontstond een grote toeloop van vluchtelingen naar het door de Britten beschermde gebied. De Britse militaire aanwezigheid werd eind juli versterkt en begin augustus uitgebreid – nagenoeg zonder strijd – over het grootste deel van de stad. Op 28 november 1946 droegen de Britten het bestuur van de stad over aan Nederlandse troepen.

Na de komst van de eerste Britse troepen op 24 oktober 1945 bestond de beschermde geallieerde enclave in Palembang uit de 'Europese' wijk Talang Semoet en het KNIL-kampement westelijk van de Kraton. Aanvankelijk konden de hier bijeengebrachte ex-krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden vrij snel via Singapore verder worden getransporteerd, maar tijdens de Bersiap kwamen in totaal ongeveer 3.000 Nederlanders in de stad vast te zitten. Hoewel ook in Palembang niet op grote schaal is gevochten, mochten de bewoners van Talang Semoet vanwege de onveilige situatie de wijk niet verlaten. Alleen op 30 maart 1946 was sprake van een flinke confrontatie tussen Britse troepen en Indonesische strijders, daarna bleef het tot december 1946 over het algemeen rustig in de stad. De vervanging van de Britse bezetting door Nederlandse troepen in oktober-november 1946 had een vreedzaam verloop. Na de komst van de Nederlandse troepen kwam een geregelde luchtverbinding met Batavia op gang en konden de achtergebleven voormalige krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden alsnog worden geëvacueerd.