Bevrijding en evacuatie Afdrukken

Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Twee dagen na de Japanse capitulatie riepen de nationalisten onder leiding van Soekarno de Republiek Indonesië uit. De geallieerden waren hier niet goed op voorbereid. Nederlands-Indië viel onder het gezagsgebied van de Britten. Zij namen, min of meer gedwongen door de beperkte beschikbaarheid van troepen, ten opzichte van de Nederlandse kolonie aanvankelijk een afwachtende houding aan. De herbezetting van Britse gebieden in Zuidoost-Azië en de afvoer van Britse krijgsgevangenen kregen voorrang. In Indië bleven daarom de Japanners voorlopig met het bestuur en de handhaving van rust en orde belast, terwijl de Nederlanders in de kampen voor hun eigen veiligheid vooralsnog moesten blijven waar ze waren. De voedselsituatie werd beter en de Japanners stelden zich wat vriendelijker op, maar van een 'echte' bevrijding was nog geen sprake.

Duizenden mannen en jongens trokken zich van het verbod van de Britten niets aan en verlieten de kampen op zoek naar hun gezinsleden. Op Java kwam aldus tussen Batavia, Bandoeng/Tjimahi en Midden-Java een stroom van Displaced Persons (DP) op gang. Geleidelijk aan verscheen een klein deel ex-geïnterneerde Nederlanders weer in het straatbeeld. De Europeanen werden door de Indonesiërs doorgaans ongemoeid gelaten en velen ondervonden in die eerste dagen van inheemse zijde hartelijke en behulpzame reacties. Tegelijkertijd nam echter ook de nationalistische agitatie in de vorm van leuzen, pamfletten en affiches toe.

Hoewel een daadwerkelijke bezetting van Indië door de geallieerden op zich liet wachten, zond Brits bevelhebber L. Mountbatten wel zogeheten RAPWI-teams naar de archipel. De RAPWI – voluit Recovery of Allied Prisoners of War and Internees – was een geallieerde militaire organisatie die tot taak had de krijgsgevangen- en interneringskampen op te sporen en de ex-krijgsgevangenen en ex-geïnterneerden te helpen en ondersteunen. De RAPWI-teams onderhielden contact met de Japanners en de lokale Indonesische instanties. Als de slechte gezondheidstoestand van ex-geïnterneerden het nodig maakte - later werd ook onveiligheid een reden - begonnen zij met de evacuatie van geïnterneerden en krijgsgevangenen.

Van de RAPWI maakten ook Nederlandse militairen deel uit, maar Nederland had op 15 augustus 1945 in Azië niet voldoende troepen paraat om Indië te bezetten. Bovendien had Nederland op dat moment niet de beschikking over voldoende transportmiddelen: er waren weliswaar veel Nederlandse transportschepen in de vaart, maar die stonden geheel ten dienste van de geallieerde strijdkrachten en konden niet direct voor eigen gebruik worden ingezet.

In gebieden buiten Nederlands-Indië waar zich vele duizenden Nederlandse krijgsgevangenen bevonden, zoals Japan, Thailand, Birma en Singapore, waren de geallieerde eenheden relatief snel aanwezig. De Nederlanders in Japan werden spoedig naar de Filippijnen overgebracht. In Bangkok, Singapore en Manilla werden uit de meest fitte voormalige krijgsgevangenen nieuwe KNIL-bataljons samengesteld.

De mannen wilden zo snel mogelijk terugkeren naar Indië, waar velen van hen vrouwen en kinderen hadden. Dat bleek echter niet zo simpel. De situatie in de Indonesische archipel direct na de Japanse capitulatie verschilde per regio. In Borneo en het oostelijk deel van Indië waren Australische strijdkrachten aanwezig die geen bezwaar hadden tegen de snelle komst van KNIL-eenheden. Als gevolg hiervan kreeg Nederland al in november 1945 weer de supervisie over deze delen van Nederlands-Indië.

Op Sumatra landden de eerste Britse troepen pas in de loop van oktober 1945. De voormalige burgergeïnterneerden op Sumatra, die zich in enkele grote kampen in het dunbevolkte binnenland bevonden, werden zo snel mogelijk afgevoerd naar de kust en in de steden Padang, Medan en Palembang geconcentreerd. Eind november waren alle Japanse interneringskampen op Sumatra ontruimd. De Nederlandse krijgsgevangenen die aan de Pakanbaroe-spoorlijn hadden moeten werken, werden o.m. naar Padang en Palembang afgevoerd. Op Sumatra werkten de Japanners redelijk goed met de Britten samen en waren de Indonesische nationalisten minder militant dan op Java, zodat hier de situatie eind 1945, ondanks ongeregeldheden in Medan en Padang, naar verhouding relatief rustig was.

In de eerste helft van september 1945 was ook de situatie op Java, waar zich de meeste Nederlanders en Indische Nederlanders bevonden, vrij kalm. Op 15 september verschenen de eerste geallieerde schepen – een Britse en een Nederlandse kruiser – in de baai van Batavia. Dat leidde tot onrust onder de Indonesische nationalisten, die in de komst van geallieerde (en met name Nederlandse) militairen een bedreiging voor de jonge Republiek zagen.

Tienduizenden jongeren waren tijdens de bezetting lid geweest van door de Japanners ingestelde anti-geallieerde paramilitaire eenheden. Zij zagen de aanwezigheid van ex-geïnterneerden en RAPWI-teams als eerste tekenen van een terugkeer van koloniaal Nederland. In de tweede helft van september vond op Java een aantal gewelddadige botsingen plaats tussen Indonesiërs en Nederlanders en tussen Indonesiërs en Japanners. Deze botsingen hadden vooralsnog een incidenteel karakter, maar de situatie was wel zeer dreigend.

Op 29 september landden de eerste Brits-Indische troepen in de haven van Batavia. De complexe situatie en zijn eigen beperkte middelen in ogenschouw nemend, was Mountbatten niet van zins de gehele Indonesische archipel te bezetten. De Britse en Brits-Indische troepen moesten zich beperken tot enkele key areas: Batavia en Soerabaja op Java en Medan en Padang op Sumatra. Al spoedig zag men zich door de omstandigheden gedwongen op Java ook Bandoeng en Semarang, en op Sumatra ook Palembang te bezetten. Ex-geïnterneerden konden alleen in de key areas worden opgevangen en moesten daar door de RAPWI naartoe worden gebracht.

Lees verder: Bersiap.