Dagelijks leven in de kampen Afdrukken

In de krijgsgevangenkampen werd door de Japanse en Koreaanse bewakers vaak zeer hardhandig opgetreden, iets wat de Europese militairen niet gewend waren. Van een dergelijk hard optreden ging een grote intimiderende werking uit.

Aan het begin van de Japanse bezetting konden krijgsgevangenen soms nog wel eens voor de nacht het kamp uitglippen, totdat in diverse kampen enkele gevangenen die een dergelijke poging hadden ondernomen door de Japanners werden geëxecuteerd. Deze terechtstellingen, die doorgaans in het kamp plaatsvonden en waarbij andere krijgsgevangenen gedwongen werden om toe te kijken, maakten een verpletterende indruk op de achterblijvers. Dit kan er de oorzaak van zijn geweest dat in het vervolg van de bezettingsperiode maar zeer weinig vluchtpogingen werden ondernomen. Het was voor een Europeaan ook niet eenvoudig om zich in de Aziatische wereld buiten de kampen schuil te houden.

De Japanners besloten een nuttig gebruik van de vele krijgsgevangenen te maken door hen aan het werk te zetten. In het begin bestond de arbeid voornamelijk uit corveediensten in en bij de kampen en algemene herstel- en opruimingswerken daarbuiten. Vanaf augustus 1942 werden de krijgsgevangenen ook op grote schaal ingezet voor grotere militair-infrastructurele werken en industrie- en mijnarbeid, met name buiten Java.

Voor de burgergeïnterneerden was het leven in de kampen in de eerste jaren over het algemeen niet al te slecht. De kampen waren nog niet, zoals aan het einde van de bezetting, overvol. De gezondheid was vrijwel overal nog goed en het sterftecijfer lag niet boven normaal. De vrouwenkampen waren aanvankelijk ook niet strikt gesloten. Tot aan het voorjaar van 1943 mochten de vrouwen op één of meerdere dagen per week overdag het kamp verlaten, mits men 's avonds weer op tijd binnen was. Bovendien werden nog een tijdlang Indonesische bedienden en verkopers in het kamp toegelaten.

Zeker in het begin van de internering of gevangenschap was verveling een van de meest in het oog springende elementen van het kampleven. Die verveling kon deels verdreven worden door het bijhouden van een dagboek, hoewel dat eigenlijk verboden was. In de meeste kampdagboeken zijn drie onderwerpen nadrukkelijk aanwezig: het gebrek aan privacy, de geruchten die in het kamp de ronde deden – en waarvan verreweg de meesten niet bleken te kloppen – en het eten.

Voedsel

Het eerste jaar was de voedselsituatie qua hoeveelheid nog redelijk. Door de Europese kampleidingen kon vaak buiten het kamp collectief voedsel worden bijgekocht. De meeste gevangenen en geïnterneerden beschikten aanvankelijk nog over voldoende geld om het kleine Japanse rantsoen aan te vullen, en ook voor diegenen die geen geld meer hadden kon nog worden gezorgd.

De voedselrantsoenen werden vanaf eind 1942 gestaag verminderd, met als gevolg dat de dagrantsoenen in de loop van 1944 en 1945 zowel kwantitatief als kwalitatief tot ver onder het minimaal noodzakelijke waren gezakt. Bovendien werd het, door het oprakende en door inflatie steeds minder waard wordende geld, steeds moeilijker om voedsel bij te kopen. Dit had tot gevolg dat het merendeel van de gevangenen en geïnterneerden last kreeg van lichamelijke aandoeningen die met het voedseltekort samenhingen.

De voedselaanvoer was overigens niet altijd en overal constant. De aanvoer lijkt sterk afhankelijk te zijn geweest van de voedselprijzen op de lokale markt. Wanneer de kosten van het levensonderhoud stegen – en ze stegen bijna continue – werd de voeding in de kampen minder omdat het bedrag dat de Japanners per krijgsgevangene of burgergeïnterneerde uittrokken, niet verhoogden. Uit het feit dat de voedselsituatie in de kampen direct na de Japanse capitulatie, en soms zelfs al enkele dagen voordien, drastisch verbeterde, kan worden geconcludeerd dat de geleverde rantsoenen minder schraal hadden hoeven te zijn dan dat ze met name in het laatste jaar van de oorlog waren.

Door de combinatie van voedselgebrek, de slechte hygiënische omstandigheden en – vooral voor krijgsgevangenen – het zware werk, werd men zeer vatbaar voor besmettelijke ziektes. Dysenterie, geelzucht, cholera, malaria, tyfus en zelfs cholera kwamen in de kampen vaak voor, evenals longontsteking en andere aandoeningen aan de luchtwegen. Men kreeg bovendien steeds meer last van ongedierte, zoals vlooien en hoofd-, kleren- en wandluizen.

Isolement

Vrijwel alle gevangenen en geïnterneerden hadden te lijden onder het isolement waarin ze verkeerden. Omdat mannen en vrouwen werden opgesloten in aparte kampen waartussen geregeld contact niet mogelijk was – clandestiene correspondentie via inheemse of Indo-Europese tussenpersonen was alleen mogelijk als de kampen niet te ver van elkaar verwijderd lagen – en er in de loop van de tijd veel verplaatsingen plaatsvonden, wisten familieleden en geliefden vaak niet van elkaar waar zij zich bevonden en hoe zij het maakten.

Het uitwisselen van berichten tussen krijgsgevangenen- en interneringskampen was niet toegestaan. Briefcontact met niet-geïnterneerde relaties in Indië verliep, áls het al lukte, buitengewoon moeizaam. Dat gold ook voor contact tussen verschillende burgerinterneringskampen. Sporadisch mocht van of naar de kampen een in het Japans, Maleis of Engels geschreven briefkaart opgestuurd worden, waarop slechts een beperkt aantal woorden mocht staan. De berichten uit de kampen bestonden soms voor een groot deel uit positieve standaardzinnen. Veel post kwam nooit, of pas zeer veel later aan.

Door het Internationale Rode Kruis werden enkele pogingen ondernomen om brieven of telegrammen uit te wisselen tussen gevangenen en geïnterneerden enerzijds en hun familie in bezet Nederland anderzijds, maar ook die post bereikte slechts zeen beperkt zijn bestemming, soms na meer dan een jaar onderweg te zijn geweest.

Kampregels

Een gevolg van de overgang in 1944 van de burgerinterneringskampen van civiel bestuur naar legerbestuur was, dat de geïnterneerden voortaan onder het krijgsgevangenenreglement vielen en ook als zodanig werden behandeld. Dat betekende voor hen een veel stringenter regime. Nieuwe kampregels werden ingevoerd die het leven moeilijker maakten, zoals het afnemen van een morgen- en avondappèl, het instellen van een vaste dagindeling en het verplichte wachtlopen. Ook namen de verplichte werkzaamheden in en buiten het interneringskamp toe. De mannen moesten o.a. op het land of aan spoorwegen en havens werken; de vrouwen werkten in groenentuinen of moesten kleding maken voor het Japanse leger.

De steeds terugkerend appèls leverden voor zowel krijgsgevangenen als burgergeïnterneerden regelmatig moeilijkheden op, omdat veel bewakers problemen hadden bij het tellen van de duizenden gevangenen en daarbij dus snel in de war raakten. Berucht waren ook de kampinspecties, die soms uitliepen op roofpartijen, en de collectieve straffen. De geïnterneerden moesten soms urenlang op appèl blijven staan of hun rantsoenen werden ingehouden, vooral wanneer niet bekend was welke geïnterneerde een bepaalde overtreding had begaan.

Ervaringen

Tot op zekere hoogte lijken de ervaringen van verschillende geïnterneerden uit Indië op elkaar, maar er waren ook verschillen tussen en binnen de kampen. Sommige kampen lagen bijvoorbeeld midden in een grote stad, andere op zeer afgelegen plekken in de jungle. Sommige kampen stonden onder leiding van een welwillende Japanse kampcommandant, andere kampen zuchtten onder de terreur van een hardhandige bruut. Het leven in de vrouwenkampen zag er door de aanwezigheid van jonge kinderen vaak anders uit dan in de mannenkampen. Voor krijgsgevangenen maakte het verschil of ze een officier of een mindere waren, en of ze op Java konden blijven of naar een afgelegen werkkamp op bijvoorbeeld de Molukken werden gestuurd.

De krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden waren niet altijd eensgezind. Het kwam zeker voor dat mensen in de kampen een grote mate van behulpzaamheid en onbaatzuchtigheid ten opzichte van elkaar vertoonden, maar ook corruptie, vriendjespolitiek, jaloezie, onderling wantrouwen en ruzies waren bepaald geen zeldzaamheid.

In veel kampen bestond een geprivilegieerd groepje, namelijk zij die in de keuken werkten. Hoewel het keukenpersoneel langdurig en zwaar werk verrichtte, hadden zij het voordeel vrijwel dagelijks in de nabijheid van voedsel te verkeren. Dit bood natuurlijk genoeg gelegenheid om af en toe iets achterover te drukken, om zichzelf of vrienden er in moeilijke tijden doorheen te kunnen helpen. Over het algemeen hadden personen die deel uitmaakten van een goed werkende 'kongsi' – een samenwerkingsverband van beperkte omvang – of die beschikten over een uitgebreid netwerk van vrienden en bekenden betere overlevingskansen dan eenlingen.

Cijfers

Nederlandse krijgsgevangen hadden het onder de Japanners zeer veel zwaarder dan onder de Duitsers. Van de ruim 13.000 Nederlandse militairen die in Duitsland krijgsgevangen hebben gezeten, zijn er 300 à 400 in gevangenschap omgekomen; dat is circa 3%. Van de ruim 42.000 militairen van het KNIL en de Koninklijke Marine in Japanse krijgsgevangenschap zijn er 8.200 omgekomen: dat is bijna 20%.

Een vergelijking tussen de sterftecijfers van niet-joodse Nederlandse burgers in Duitse 'reguliere' concentratiekampen en van Nederlandse en Nederland-Indische burgers in Japanse interneringskampen levert een omgekeerd beeld op. Naar Duitse concentratiekampen zijn ongeveer 11.000 niet-joodse Nederlanders overgebracht; van hen zijn er circa 4.000 omgekomen: dat is ongeveer 36%. Het sterftepercentage van joodse Nederlanders is uiteraard zeer veel hoger. Van de circa 100.000 burgergeïnterneerden in Nederlands-Indië zijn er ongeveer 13.000 omgekomen: dat is circa 13%.

De overlevingskans in een Japans interneringskamp was over het geheel genomen dus aanzienlijk groter dan in een Duits concentratiekamp, waarbij nog moet worden aangetekend dat in de Japanse burgerkampen ook zeer kwetsbare groepen als bejaarden en zeer jonge kinderen verbleven. De meeste sterfgevallen in de Japanse kampen hebben zich voorgedaan in de laatste fase van de bezetting. Vooral geïnterneerden boven de 45 jaar en zeer kleine kinderen zijn daarbij bezweken.

Lees verder: Transporten.