Soorten kampen Afdrukken

Krijgsgevangenkampen

De krijgsgevangenkampen kunnen onderscheiden worden in 'reguliere' kampen die gedurende de hele periode bleven bestaan, zoals enkele grote kampen op Java, en tijdelijke en/of geïmproviseerde werkkampen, zoals de kampen voor de aanleg van vliegvelden in de Molukken en voor de aanleg van de Pakanbaroespoorweg in Sumatra.

De krijgsgevangenen werden ook gescheiden naar rang, nationaliteit en Aziatische of niet-Aziatische afkomst. De meeste Javaanse, Soendanese en Timorese KNIL-militairen werden al vrij spoedig vrijgelaten. De Ambonese en Menadonese militairen, die de reputatie hadden zeer pro-Nederlands te zijn, bleven in krijgsgevangenschap, evenals de inheemse officieren en onderofficieren van het KNIL.

Zowel onder de vrijgelaten als onder de nog gevangen gehouden inheemse KNIL-militairen wierven de Japanners zogenaamde heiho's – inheemse hulpsoldaten in Japanse dienst. Op een aantal Ambonese ex-KNIL-militairen werd zelfs grote pressie uitgeoefend om zich als heiho aan te melden. Vele heiho's zijn overzee gestuurd. Van de naar schatting 15.000 ex-KNIL-militairen die op Java heiho geworden zijn, is mogelijk ongeveer de helft omgekomen.

Nederlandse en Indo-Europese krijgsgevangenen waren in de regel in dezelfde kampen ondergebracht, hoewel in een kamp in Tjimahi voor enkele maanden in 1942 een scheiding werd aangebracht tussen de twee groepen, en in het kamp Lawesigalaga op Noord-Sumatra Indo-Europese krijgsgevangenen en inheemse KNIL-militairen tezamen werden opgesloten.

Burgerkampen

De kampen voor burgergeïnterneerden kunnen onderverdeeld worden in kampen voor mannen, kampen voor vrouwen en kinderen (waarin soms ook oude mannen waren ondergebracht), en – vanaf medio 1944 – kampen voor jongens vanaf 10 jaar.

Aan het begin van de internering werd door de Japanners over het algemeen bij een leeftijd van 17 à 18 jaar de scheidslijn getrokken tussen jongens en mannen. Tot zij deze leeftijd bereikten, werden de jongens bij hun moeders en zusters in een vrouwenkamp geïnterneerd, daarna kwamen de jongens in de mannenkampen terecht. Met de overgang van de kampen naar het legerbestuur in april 1944 werd de regel om oudere jongens van de vrouwen te scheiden verscherpt. Voortaan werden alleen nog diegenen die de leeftijd van 10 jaar nog niet hadden bereikt als kinderen beschouwd.

Het gevolg was dat vanaf juli 1944 op Java jongens van 10 jaar en ouder van hun moeders in de vrouwenkampen werden gescheiden. Een deel van hen werd naar mannenkampen overgebracht. Een ander deel kwam echter terecht in speciaal opgerichte jongenskampen in Batavia, Tjimahi, Semarang en Ambarawa. In augustus 1945 waren hier in totaal circa 3.600 jongens in de jongste leeftijdscategorie ondergebracht. Ook een aantal zieke en bejaarde mannen werden in deze jongenskampen ondergebracht.

Er waren ook enkele 'speciale' kampen voor aparte categorieën burgers. Zo richtten de Japanners enkele mannenkampen specifiek voor 'prominenten' in. Een apart geval was het experimentele landbouwkamp Kesilir in het oosten van Java, waar van juli 1942 tot september 1943 ruim 3.000 Nederlandse en Nederlands-Indische mannen en jongens in opdracht van de Japanners door middel van land- en tuinbouw in hun eigen onderhoud trachtten te voorzien. Toen dit geen succes bleek, werden de mannen en jongens (weer) naar reguliere interneringskampen overgebracht.

Andere 'speciale' kampen waren bedoeld voor zogeheten 'Nipponwerkers' – Nederlanders die vanwege hun kennis en kunde door de Japanners voorlopig nog in hun functie werden gehandhaafd – en hun gezinnen. In deze bevoorrechte gezinskampen was men doorgaans behoorlijk gehuisvest en kreeg men voldoende te eten. In de loop van 1944 werden deze kampen bijna allemaal opgeheven en de inwoners naar gewone interneringskampen getransporteerd.

In kamp Kota Paris in Buitenzorg werden van mei tot november 1944 ruim honderd Nederlandse vrouwen en meisjes ondergebracht die vrijwillig of gedwongen in één van de Japanse legerbordelen op Java hadden gewerkt. In de eerste maanden van 1944 waren uit vier vrouwenkampen in Midden-Java meisjes en vrouwen weggehaald voor Japanse legerbordelen in Semarang; eind april 1944 waren deze bordelen gesloten. Overigens gebeurde het ronselen van geïnterneerde vrouwen voor Japanse bordelen niet alleen op Java, maar bijvoorbeeld ook in de vrouwenkampen in Padang op Sumatra en Kampili op Celebes.

Tenslotte is het vrouwenkamp in Tangerang, circa 28 kilometer ten westen van Batavia gelegen, in 1944-1945 als aparte interneringslocatie voor joodse vrouwen en kinderen gebruikt. In enkele andere kampen op West-Java werden joodse geïnterneerden in die periode in aparte barakken ondergebracht.

Opvang- en landbouwwerkkampen

Van geheel andere aard waren de vele op Java ingerichte tehuizen en opvangkampen voor niet-geïnterneerde armlastige Indo-Europese en inheemse vrouwen en kinderen, met name voor gezinnen van krijgsgevangen KNIL-militairen. Deze behoeftige vrouwen en kinderen werden door de Japanners en/of de Indonesische autoriteiten op deze locaties geconcentreerd om de kosten van de steunverlening en het levensonderhoud te drukken.

Eind 1944 en in de loop van 1945 werden bovendien werkloze Indische jongens en verpauperde Indo-gezinnen uit de grote steden tewerkgesteld in landbouwkampen en -kolonies, zoals Soember Gesing bij Dampit in Oost-Java, en Goenoeng Haloe, Pasar Benteng en Kelapanoenggal in West-Java. Op de zuidpunt van Sumatra bestond eveneens een landbouwkamp voor Indo-Europese gezinnen, de Giesting. Voor de betrokkenen zelf was en is het verschil tussen een dergelijk opvang- of landbouwkamp en een 'gewoon' interneringskamp echter niet altijd duidelijk.

Lees verder: Dagelijks leven in de kampen.