Kampen Afdrukken

Gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië werden in totaal ruim 42.000 militairen van het KNIL en de Koninklijke Marine in krijgsgevangenschap gehouden en ongeveer 100.000 Nederlandse burgers – mannen, vrouwen en kinderen – geïnterneerd in kampen. Waartoe diende die internering? Hoe werd zij georganiseerd? Wie werden er het slachtoffer van?

Internering: waarom en wie?

Dat overwonnen militairen tijdens een oorlog in krijgsgevangenschap werden afgevoerd, was gebruikelijk. Het op grote schaal interneren van burgers, met name vrouwen en kinderen, was geen vanzelfsprekendheid. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden de oorlogvoerende landen een groot aantal, zo niet alle, mannelijke burgers van vijandelijke nationaliteit die zich op hun grondgebied bevonden geïnterneerd. De vrouwen en kinderen werden meestal ongemoeid gelaten, of werden gerepatrieerd.

Na de Duitse inval in Nederland in mei 1940, had het Nederlands-Indische gouvernement in totaal bijna 2.800 'Duitsers' opgepakt, waaronder Duitse joden, Indische jongens met een Duitse vader en ongeveer honderd zendelingen en missionarissen. Ook werden circa 150 vrouwen die als overtuigde nationaal-socialisten te boek stonden met hun kinderen gevangen gezet, en werden ongeveer honderd Duitse vrouwen en een gelijk aantal kinderen ondergebracht in hotels die als 'beschermingskampen' waren ingericht. Daar werden zij afgeschermd van de vijandige Nederlandse gemeenschap.

Na het uitbreken van de oorlog in de Pacific werden aan de westkust van de Verenigde Staten meer dan 100.000 Japanse en Japans-Amerikaanse burgers, waaronder ook vrouwen en kinderen, in kampen opgesloten. Op 8 december 1941 werden in Nederlands-Indië circa 2.000 Japanners, waaronder ook vrouwen en kinderen, opgepakt en geïnterneerd. Ruim 1.400 Japanse mannen, 300 Japanse vrouwen en 200 Japanse kinderen werden vervolgens naar Australië afgevoerd.

De Japanners interneerden op hun beurt vrijwel alle geallieerde Europese burgers in de door hen bezette gebieden. Daarvoor hadden zij mogelijk vier motieven:

  1. het weren van elke westerse invloed en het strikt gescheiden houden van de Aziatische volkeren van de westerse;
  2. voorkomen dat Nederlandse burgers een gevaar zouden vormen voor het Japanse Militaire Bestuur of krijgsoperaties, bijvoorbeeld door middel van sabotage;
  3. het verlangen eindelijk de westerlingen te kunnen vernederen, die de Japanners zo lang uit de hoogte hadden behandeld, en
  4. de wens tot represaille voor het interneren van Japanse burgers bij het uitbreken van de oorlog.

Het eerste motief lijkt verreweg het belangrijkst te zijn geweest. Het was vermoedelijk de bedoeling dat de geïnterneerde westerlingen na de verwachte Japanse eindoverwinning uiteindelijk naar hun eigen land zouden worden teruggestuurd.

Krijgsgevangenen

In Nederlands-Indië werden in 1942 door de Japanners ongeveer 89.000 geallieerde militairen krijgsgevangen gemaakt: ruim 42.000 Europese militairen van het KNIL en de Koninklijke Marine, en circa 25.000 inheemse KNIL-militairen, circa 15.200 Britten en Brits-Indiërs, circa 5.600 Australiërs en circa 1.100 Amerikanen. Het merendeel van de inheemse KNIL-militairen werd na korte tijd weer vrijgelaten.

In de veroverde gebieden werden de krijgsgevangenen aanvankelijk opgesloten in kampen in de omgeving van de plaats waar de overgave plaatsvond. Vaak werden hiervoor KNIL-kazernes gebruikt, maar ook werden geïmproviseerde onderkomens ingeschakeld. Op veel plaatsen op Java, waar aanvankelijk geen Japanse troepen aanwezig waren, dienden de geallieerde eenheden zich zelf in de kazernes terug te trekken, totdat de Japanners ter plaatse waren.

Na verloop van tijd werden veel kleine kampen ontruimd. De krijgsgevangenen werden in een beperkt aantal grotere regionale verzamelkampen geconcentreerd. Het regime dat de Japanners over de krijgsgevangenen uitoefenden, werd steeds strenger. Krijgsgevangenen werden op grote schaal aan het werk gezet. De overgrote meerderheid van hen werd daarvoor vervoerd naar werkkampen elders in de archipel of daarbuiten.

De afvoer van krijgsgevangenen naar verder weg gelegen locaties begon op Sumatra al in mei 1942, op Java in september 1942 en op Celebes in oktober 1942. De krijgsgevangenen op Borneo bleven daarentegen bijna allemaal gedurende de hele oorlog op dit eiland. De naar elders afgevoerde gevangenen moesten in Japan o.a. in de mijnen steenkool winnen, op verschillende plaatsen in de Molukken aan vliegvelden werken, en op Sumatra en in Birma en Thailand spoorwegen aanleggen. Van de meer dan 42.000 Europese militairen van het KNIL en de Koninklijke Marine in Japanse krijgsgevangenschap zijn er 8.200 om het leven gekomen (19,4 %).

Burgers

De internering door de Japanners van Europese burgers in Nederlands-Indië verliep niet overal hetzelfde. In de Buitengewesten werd vrij kort na het begin van de bezetting de hele Europese burgerbevolking in kampen geïnterneerd, de mannen apart van hun vrouwen en kinderen.

Op Java lag de interneringskwestie gecompliceerder vanwege het grote aantal Europeanen dat er woonde. De opsluiting in kampen verliep daar in fasen. Eerst werden in maart en april 1942 Nederlandse ambtenaren en personen uit het bedrijfsleven – voor zover zij niet nodig waren voor het gaande houden van het openbare leven – geïnterneerd.

In april 1942 moesten bovendien alle Nederlanders op Java die ouder waren dan 17 jaar zich laten registreren. Bij de registratie werd onderscheid gemaakt tussen volbloed Nederlanders, de zogenaamde totoks, en Nederlanders van gemengde afkomst, de Indo-Europeanen of Indo’s. De totoks werden uiteindelijk vrijwel allemaal geïnterneerd. Het merendeel van de Indo-Europeanen op Java bleef op vrije voeten, hoewel ook veel Indo’s vroeg of laat in een kamp terecht kwamen.

Aanvankelijk waren er grote en vele kleine kampen verspreid over de gehele archipel; later werden de burgergeïnterneerden steeds meer in enkele zeer grote kampen geconcentreerd. Als interneringskampen werden stadswijken, gevangenissen, kazernes, scholen, kloosters en zelfs ziekenhuizen ingericht. Hier begon een interneringsperiode die voor velen bijna drie jaar of langer zou duren, en waarin de levensomstandigheden steeds slechter werden. Bijna 13.000 personen kwamen tijdens de internering om het leven.

Lees verder: Bestuur en organisatie van de kampen.