Bezetting en bersiap Afdrukken

Wat was er 'Nederlands' aan Indië? Waarom werd Indië door Japan bezet? Wat was het doel van de kampen? Wat betekende de bersiapperiode voor de verschillende delen van de bevolking van Indië? Wie de gebeurtenissen in Nederlands-Indië tussen 1941 en 1949 wil begrijpen, zal iets moeten weten van de geschiedenis van Indië. Op deze pagina's vindt u een geschiedenis van Nederlands-Indië in vogelvlucht.

Nederlands-Indië

Nederlands-Indië, nu Indonesië, bestaat uit duizenden eilanden die zich uitstrekken over een gebied dat, op een Europese kaart geprojecteerd, loopt van Ierland tot diep in Rusland. In 1596 kwamen de eerste Nederlandse schepen naar deze archipel. In de volgende twee eeuwen bouwde de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), in 1602 opgericht, een handelsnetwerk op dat zich uitstrekte van Kaap de Goede Hoop tot Japan. Het zwaartepunt van haar activiteiten lag in de Indonesische archipel. De VOC oefende territoriaal gezag uit over de steden aan de noordkust van Java, over West-Java, Madoera, enkele eilanden in de Molukken en enkele plaatsen op Sumatra en Celebes.

In de tweede helft van de 18e eeuw raakte de VOC in financiële moeilijkheden, vooral als gevolg van de zware concurrentie van de Engelse East India Company (EIC). In 1796 werd de VOC failliet verklaard. Haar bezittingen werden overgenomen door de Nederlandse staat. In de loop van de 19de eeuw werd de Nederlandse invloed op de eilanden buiten Java en Madoera, de zogenaamde 'Buitengewesten', geleidelijk uitgebreid. Gebieden die door Nederland waren geclaimd, werden formeel in bezit genomen. Dit proces werd rond 1900 afgerond. De grenzen van het huidige Indonesië waren toen bereikt.

Omstreeks 1900 deed de zogenaamde 'ethische politiek' haar intrede. Onderwijs en welvaart kregen meer aandacht. Op lokaal en regionaal niveau kregen Indonesiërs een – vooralsnog bescheiden – aandeel in het bestuur, in hoofdzaak op Java.

De kolonie ging meer en meer voor de internationale markt produceren. Nederlands-Indië was een belangrijke producent van grondstoffen en voedingsmiddelen voor Europa en Noord-Amerika. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog waren rubber en aardolie de belangrijkste exportproducten: meer dan een derde (37%) van de wereldexport van rubber was uit Indië afkomstig.

Bevolking

De bloeiende exportmarkt lokte talrijke Nederlanders en andere Europeanen naar de archipel. Ook de Indonesische bevolking groeide sterk: zo nam tussen 1900 en 1940 de bevolking van Java toe van 28 tot 47 miljoen zielen.

De bevolking van Nederlands-Indië bestond juridisch gezien uit drie groepen: Europeanen, 'Inlanders' (Indonesiërs) en de zogenaamde 'Vreemde Oosterlingen' (Chinezen, Arabieren, Maleiers, Brits-Indiërs e.d.). In 1940 waren er omstreeks 68 miljoen 'Inlanders', waarvan circa 47 miljoen op Java en Madoera, zo’n 1.250.000 Chinezen, 50.000 Arabieren en een kleine 20.000 Maleiers.

De Europeanen – voor het merendeel Nederlanders – vormden de maatschappelijke bovenlaag. Voor hen golden bijvoorbeeld andere rechtsregels dan voor de Inlanders en Vreemde Oosterlingen. De Europese samenleving werd gevormd door zowel Nederlanders die slechts voor een bepaalde periode in Indië werkzaam waren, de zogenaamde 'trekkers', als door diegenen die zich blijvend in de kolonie hadden gevestigd, de zogenaamde 'blijvers'. Een aanzienlijk deel van die 'blijvers' woonde al generaties lang in Indië.

Veel Europese mannen, vooral de militairen, gingen in Indië een relatie aan met een inheemse vrouw en kregen kinderen van gemengde afkomst. Vanaf 1892 kregen de nakomelingen van Europese vaders en inheemse moeders de Nederlandse nationaliteit, op voorwaarde dat zij door hun vader waren erkend. Deze groep, de zogenaamde Indo-Europeanen (ook wel Indo’s of Indische Nederlanders genoemd), behoorde daarmee automatisch tot de categorie van de Europeanen.

Zo ontstond tussen de koloniale bovenlaag en de Indonesische bevolking een soort tussenklasse, die zowel door de politiek bewuste Indonesiërs als door de Europese Nederlanders soms als tweederangs Nederlanders werd beschouwd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog woonden in Nederlands-Indië naar schatting 80.000 uit Nederland afkomstige en ruim 200.000 in Indië geboren Nederlanders.

Bestuur en nationalisme

Het algemeen bestuur over Nederlands-Indië werd uitgeoefend door de hoogste vertegenwoordiger van de Nederlandse regering in de archipel, de gouverneur-generaal (G.G.), die voor vijf jaar werd benoemd. Hij functioneerde als bevelhebber van zowel de Koninklijke Marine in Indië als van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Het Europese Binnenlands Bestuur (BB) bestond louter uit Nederlanders, die allen een speciale opleiding hadden gevolgd. Nederlands-Indië kende echter een dualistisch bestuurssysteem. De Nederlandse kolonisator achtte het wenselijk dat de inheemse bevolking zoveel mogelijk onder de leiding van de eigen hoofden zou worden gelaten. Daarom bestond er, parallel aan het Binnenlands Bestuur, een inheems bestuursapparaat, dat fungeerde als buffer tussen het gouvernement en de grote massa van de inheemsen.

In de loop van de 20ste eeuw was in Nederlands-Indië een inheemse nationale beweging opgekomen die pleitte voor meer autonomie en zelfstandigheid, en soms zelfs onafhankelijkheid van de kolonie. De bekendste nationalistische voorman was Soekarno, een begenadigd spreker.

De Nederlandse gezagsdragers hadden de neiging het Indonesische nationalisme te onderschatten. Zij verkeerden vooral in eigen kring, de sociale contacten met Indonesiërs waren doorgaans beperkt en oppervlakkig. Men kon zich niet voorstellen dat Nederland de kolonie ooit zou moeten prijsgeven. "Indië verloren, rampspoed geboren" was een leus die door velen werd onderschreven.

Het gebrek aan inzicht in de reikwijdte van de sociale en politieke ontwikkelingen in de Indonesische samenleving leidde tot de misleidende veronderstelling dat de nationalistische beweging uitsluitend populair was onder de inheemse stedelijke elite in de steden en dat de grote meerderheid van eenvoudige Indonesiërs er weinig van moest hebben. De koloniale beleidsmakers trokken hieruit de conclusie dat Nederland in Nederlands-Indië nog lang aanwezig zou moeten blijven ter bescherming van de inheemse plattelandsbevolking tegen exploitatie door de eigen stedelijke elite.

Lees verder: Oorlog in de Oost.